Uitspraak 31 augustus 2007 inzake Willem Frederik H.

Deze hoofdrubriek bevat 3 rubrieken:

Uitspraak 31 augustus 2007 inzake Willem Frederik H.

De beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) heeft uitspraak gedaan in het beroep van Willem Frederik H., verder klager te noemen, gericht tegen

de beslissing van de selectiefunctionaris tot verlenging van zijn verblijf in de extra beveiligde inrichting (EBI) Nieuw Vosseveld te Vught.

Het beroep van H. is ongegrond verklaard.

Op grond van artikel 6 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden kunnen in de EBI gedetineerden worden geplaatst die:
a. een extreem vluchtrisico vormen en een onaanvaardbaar maatschappelijk risico in termen van recidivegevaar voor ernstige geweldsdelicten, of
b. bij ontvluchting een onaanvaardbaar maatschappelijk risico vormen, waarbij het vluchtrisico als zodanig hieraan ondergeschikt is.

Klager verblijft thans (onder het EBI-regime) in het penitentiair ziekenhuis te Den Haag.


De beroepscommissie moet de toets in deze procedure beperken tot de verlenging van de EBI-status van klager; het gaat dus niet om de vraag van voortzetting van zijn verblijf in het penitentiair ziekenhuis, welke vraag primair aan de behandelende artsen is. De beroepscommissie stelt voorop dat het risico van een eventuele ontvluchting niet kan worden uitgesloten. Daarbij wordt voorbijgegaan aan de stelling van klager dat hij fysiek niet in staat is te vluchten, omdat volledige organisatie en regie van een onttrekking aan detentie met hulp van buitenaf niet kan worden uitgesloten. Klager wordt verdacht van het plegen van dan wel betrokkenheid bij zeer ernstige misdrijven, hetgeen veelvuldig in de media ter sprake is geweest.

De vraag naar de totstandkoming van die media-aandacht is van ondergeschikt belang, evenals de identiteit van de opdrachtgever(s) voor de aanslag op de beveiligde rechtbank te Amsterdam. Aannemelijk is dat het enkele feit dat een dergelijke aanslag plaats heeft kunnen vinden, bij een eventuele ontvluchting van klager tot een verhoogd gevoel van maatschappelijke onrust leidt. Gelet hierop acht de beroepscommissie voldoende aannemelijk dat klager bij ontvluchting een onaanvaardbaar maatschappelijk risico vormt. De bestreden beslissing wordt dan ook niet onredelijk of onbillijk geacht en het beroep ongegrond verklaard. De beroepscommissie merkt nog op dat de toepassing van het EBI-regime geen beperking van het herstel van de gezondheidstoestand van klager dient te betekenen.

De uitspraak is te verkrijgen bij het secretariaat van de RSJ, telefoon 070 3619300 en bij het Ministerie van Justitie.

Voor nadere informatie:
Pim Molenaar, algemeen secretaris
Peter-Niek Plooij, hoofd afdeling rechtspraak