Advies aan staatssecretaris Albayrak: Doorpakken bij de opvang na detentie

Deze hoofdrubriek bevat 3 rubrieken:

Advies aan staatssecretaris Albayrak: Doorpakken bij de opvang na detentie

De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming stelt vast dat de maatschappelijke opvang van ex-gedetineerden beter wordt voorbereid dan in 2005, toen de Raad de situatie ook in kaart bracht. Veel knelpunten in de aansluiting tussen Justitie, gemeenten en zorginstellingen zijn echter nog niet opgelost. De ‘gedeelde verantwoordelijkheid’ is lang nog niet overal praktijk. De Raad concludeert dit uit zelf gehouden interviews in het gevangeniswezen en bij gemeenten, alsmede uit onderzoek door het Sociaal-Cultureel Planbureau en de Inspectie voor de Sanctietoepassing.

Deze onderzoeken werden met Justitie en gemeenten besproken op het door de Raad georganiseerde congres ‘Samen voor Nazorg’ op 11 juni 2009. De uitkomst van dit congres is meegenomen in het op 17 september aan staatssecretaris Albayrak aangeboden advies ‘Doorpakken, maatschappelijke re-integratie en nazorg voor ex-gedetineerden’.

Medewerkers maatschappelijke dienstverlening in het gevangeniswezen moeten bij iedere gedetineerde nagaan of ze na detentie over onderdak en inkomen zullen beschikken en een overdracht aan de gemeente realiseren. De Raad constateert dat dit streven nog niet wordt gehaald en beveelt de staatssecretaris aan om niet méér te beloven dan de inrichtingen kunnen waarmaken. ‘Alles voor iedereen’ is niet mogelijk, daarom moet ‘minder voor sommigen’ ruimte scheppen om extra inspanningen te leveren voor gedetineerden die dat ook echt nodig hebben.
Het vorige kabinet merkte de opvang en nazorg voor ex-gedetineerden al aan als een taak voor de gemeenten, maar rijk en gemeenten werden het pas in juni van dit jaar eens over de invulling van deze taak en het geld dat de gemeenten hiervoor krijgen. Gemeenten ervaren de opvang als een nieuwe taak, hoewel dezelfde ex-gedetineerden voor werk, woning en uitkering altijd al bij gemeentelijke diensten aanklopten. Nieuw is wel een sluitende samenwerking tussen Justitie en gemeenten. Dat vergt aan beide kanten een mentaliteitsverandering, constateert de Raad. De samenleving blijft verantwoordelijk voor mensen die gedetineerd zijn en mag daarom ook invloed hebben op de resocialisatieactiviteiten tijdens de detentie. Justitie zal daar ruimte voor moeten bieden.

Voor resocialisatie is vaak nodig dat de ex-gedetineerde breekt met zijn ‘oude milieu’ en nieuwe bindingen in de samenleving opbouwt. Vrijwilligers kunnen hierbij een belangrijke rol spelen, vindt de Raad. Zij kunnen het werk van professionele hulpverleners aanvullen. Ook hiervoor zal Justitie de nodige mogelijkheden moeten scheppen.

Concreet beveelt de Raad aan:
- plaats de gedetineerde de laatste vier maanden van de detentie altijd in een gevangenis in de omgeving waar hij zich gaat vestigen;
- zorg voor maatschappelijk zinvolle activiteiten in de gevangenis;
- zorg dat er geen breuk in de begeleiding optreedt bij het meerderjarig worden van de gedetineerde;
- laat gemeenten en zorginstellingen meedenken over de invulling van de detentie.

Het advies kan worden opgevraagd bij het secretariaat van de Raad
postbus 30 137, 2500 GC Den Haag, 070 - 36 19 300, www.rsj.nl

Wijze van openbaarmaking:
- mededeling Staatscourant
- ter inzage bibliotheek ministerie van justitie
- website RSJ: www.rsj.nl
Nadere informatie kan worden opgevraagd bij: drs. A.J. van Bommel